Wanneer is sprake van illegale bewoning bedrijfspand?

Wanneer sprake van illegale bewoning bedrijfspand?

HomeWanneer sprake van illegale bewoning bedrijfspand?

Wanneer is sprake van illegale bewoning van een bedrijfspand?

Procedures over vermeende illegale bewoning van bedrijfspanden komen binnen het bestuursrecht regelmatig voor. Gemeenten treden handhavend op wanneer zij menen dat een bedrijfsruimte feitelijk als woning wordt gebruikt in strijd met het omgevingsplan. Recent trad ik op in een procedure tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn. In deze zaak legde het college een last onder dwangsom op aan een ondernemer wegens vermeende illegale bewoning van een bedrijfspand. Volgens het college bleek uit observaties, controles en toezichtrapportages dat het pand feitelijk als woning werd gebruikt. Toezichthouders troffen onder meer een bank, televisie, kleding, verzorgingsproducten, een koelkast, kookvoorzieningen en slaapfaciliteiten aan. Daarnaast woog mee dat cliënt regelmatig buiten openingstijden in het pand aanwezig was.

Wanneer is juridisch sprake van bewoning?

Binnen het bestuursrecht draait de beoordeling niet alleen om aanwezigheid in een pand. Doorslaggevend is of sprake is van feitelijk hoofdverblijf. Daarbij speelt onder meer een rol waar zich het centrum van iemands maatschappelijk leven bevindt. Namens cliënt voerden wij aan dat hij beschikte over zelfstandige woonruimte elders. Ook stelden wij dat de gemeente onvoldoende onderscheid maakte tussen “verblijven” en “wonen”. Daarnaast voerden wij aan dat indirecte aanwijzingen niet automatisch bewijzen dat sprake is van bewoning in strijd met het omgevingsplan.

Last onder dwangsom

Het college van B&W van de gemeente Apeldoorn legde een last onder dwangsom op van € 3.000,- per maand, met een maximum van € 18.000,-. Daarbij gold een begunstigingstermijn tot 1 april 2026. De inhoudelijke behandeling van het bezwaar had op dat moment nog niet plaatsgevonden. Daardoor dreigde cliënt al dwangsommen te verbeuren voordat een bestuursrechter de rechtmatigheid van het besluit inhoudelijk kon beoordelen. Om die reden dienden wij een verzoek om voorlopige voorziening in bij de rechtbank Gelderland.

Voorlopige voorziening

De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland trof vervolgens op 31 maart 2026 een ordemaatregel en schorste het besluit voorlopig. De rechtbank overwoog dat nader onderzoek tijdens een zitting noodzakelijk was. Ook wilde de voorzieningenrechter onomkeerbare gevolgen voorkomen, omdat de begunstigingstermijn op korte termijn zou aflopen. De voorzieningenrechter gaf daarbij nog geen inhoudelijk oordeel over de vraag of daadwerkelijk sprake was van illegale bewoning.

Verlenging begunstigingstermijn

Na de ordemaatregel verlengde het college van B&W uit eigen beweging de begunstigingstermijn tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college verwees daarbij onder meer naar de aard van de vermeende overtreding en het ontbreken van spoedeisende belangen van derden.

Zorgvuldige feitvaststelling blijft essentieel

Deze zaak laat zien dat handhavingsprocedures over vermeende illegale bewoning sterk afhangen van feitelijke omstandigheden en bewijswaardering. De aanwezigheid van persoonlijke goederen of langdurige aanwezigheid in een pand leidt niet automatisch tot de conclusie dat sprake is van bewoning. Tegelijkertijd kunnen zulke omstandigheden voor een bestuursorgaan wel aanleiding vormen om handhavend op te treden. Juist daarom blijven zorgvuldige feitvaststelling, een deugdelijke motivering en effectieve rechtsbescherming essentieel binnen het bestuursrecht.